De beschikbaarheid van grond speelt een steeds grotere rol binnen de melkveehouderij. Toch blijkt de vraag hoeveel grond een melkveebedrijf nodig heeft minder eenvoudig te beantwoorden dan vaak wordt gedacht. Om hier meer inzicht in te krijgen heeft VK-Oost voor verschillende bedrijfsgroottes berekeningen gemaakt op basis van de grondpositie van VK-Oost-leden. Daarbij is gekeken naar drie belangrijke functies van grond: de productie van ruwvoer, de plaatsing van alle geproduceerde mest op eigen grond en de oppervlakte die nodig is om aan grondgebondenheidseisen te voldoen.
Uit de berekeningen blijkt dat de benodigde oppervlakte sterk toeneemt naarmate bedrijven meer melkkoeien houden. Dat is een logisch gevolg van een grotere voerbehoefte en een hogere mestproductie. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat niet iedere hectare dezelfde functie heeft. Voor de productie van voldoende ruwvoer is doorgaans minder grond nodig dan voor het volledig plaatsen van alle geproduceerde mest op eigen grond. In veel situaties vormt juist de mestafzet de grootste grondvraag binnen het bedrijf.

Opvallend is dat de verschillen tussen de jaren 2023, 2024 en 2025 relatief beperkt blijven. Hoewel veranderingen in regelgeving en afbouw van derogatie invloed hebben op de uitkomsten, blijkt de verhouding tussen het aantal dieren en de beschikbare hectares uiteindelijk een belangrijkere factor voor de benodigde oppervlakte. In de afgelopen jaren is een trend te zien dat er meer melk geleverd wordt, hierdoor loopt het areaal benodigde hectares ook op. Vooral in de groep 100/200 melkkoeien is een stijging te zien over de afgelopen jaren.
Wanneer de resultaten worden omgerekend naar 100 melkkoeien ontstaat bovendien een interessant beeld. De verschillen tussen de grotere bedrijfsgroepen blijken dan relatief klein. Voor mestafzet komt de benodigde oppervlakte uit op ongeveer 25 tot 32 hectare per 100 melkkoeien. Daarmee wordt duidelijk dat niet zozeer de omvang van een bedrijf bepalend is, maar vooral de verhouding tussen de veestapel en de beschikbare grond. Om zelfvoorzienend te worden in de ruwvoerbehoefte is gemiddeld 20 hectare extra nodig. Om de norm grondgebondenheid te halen zijn nog weer minder hectares nodig.
Krachtvoer verbouwen of krachtvoer aankopen?
De berekeningen maken ook duidelijk dat er niet één antwoord bestaat op de vraag hoeveel grond een bedrijf nodig heeft. Het antwoord hangt af van het doel dat wordt nagestreefd.
Een ondernemer die volledig zelfvoorzienend wil zijn in ruwvoer kijkt anders naar grond dan een ondernemer die vooral voldoende plaatsingsruimte voor mest zoekt. Het duidelijke verschil hiertussen zit hem in het stuk eigen krachtvoer verbouwen of krachtvoer aankopen en mest afvoeren. In regio’s met veel veehouderijbedrijven zal de druk op grond hoger zijn waardoor volledig zelfvoorzienend worden niet altijd mogelijk is. Ook toekomstige ontwikkelingen rondom grondgebondenheid kunnen hierin een rol spelen.


Waarom samenwerken met (gestopte) melkveehouder of akkerbouwer?
Juist daarom biedt dit onderwerp aanknopingspunten voor samenwerking. Wanneer ondernemers inzicht hebben in hun eigen grondbehoefte, ontstaat er ruimte om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken. Samenwerking tussen (gestopte) melkveehouders onderling of tussen melkveehouders en akkerbouwers kan bijdragen aan een betere benutting van beschikbare grond, meststoffen en ruwvoer.
Hectares slim inzetten
De uitdaging ligt daarbij niet alleen in het verkrijgen van extra hectares, maar vooral in het slim inzetten van de hectares die beschikbaar zijn. Inzicht in de functie van grond binnen de bedrijfsvoering vormt daarvoor een belangrijke eerste stap.
Wordt de grond puur gebruikt voor mestplaatsing en kan ik deze verhuren aan een akkerbouwer? Of wil ik mijn eigen krachtvoer gaan telen? Daarnaast bepaalt ook erg het aanbod en de prijs van een hectare grond of aanschaffen voor de functie die voor ogen is, de beste keuze is. Door hierover met elkaar in gesprek te gaan, ontstaan nieuwe mogelijkheden om bedrijven toekomstbestendig te ontwikkelen en tegelijkertijd de beschikbare ruimte in de regio optimaal te benutten.